Modelverordening bekostiging leerlingenvervoer
van de VNG
Modelverordening bekostiging leerlingenvervoer
Artikel 9 - Afwijzingsgronden
- Geen vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner is dan [(6)] km. Deze grens geldt niet voor gehandicapte leerlingen.
- Geen vervoersvoorziening wordt toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs, tenzij:
- er sprake is van voortgezet speciaal onderwijs en de leerling door een handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra; of
- de leerling door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 8.28, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
- er sprake is van voortgezet speciaal onderwijs en de leerling door een handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra; of
Eerste lid
Deze bepaling geeft invulling aan de op grond van artikel 4, achtste lid, van de Wpo en artikel 4, zevende lid, van de Wec bestaande mogelijkheid om in de verordening te bepalen dat er geen aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening op grond van de afstand. [(De afstand van 6 kilometer sluit aan bij de in artikel 4, zevende lid, van de Wpo opgenomen bovengrens van 6 kilometer.)] De afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school moet per route, zowel voor de heen- als voor de terugweg, worden bepaald. [De afstand tussen de buitenschoolse opvang en de dichtstbijzijnde toegankelijke school is dus niet van invloed op het recht op een vervoersvoorziening.]
Leerlingen die voortgezet onderwijs volgen en geen handicap hebben, komen al niet in aanmerking voor leerlingenvervoer. Voor hen is deze bepaling dan ook niet van toepassing.
Tweede lid
Voor het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs zijn de ouders of de leerling, ongeacht de afstand, zelf verantwoordelijk. Voor het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 4, vierde lid, van de Wec) en het regulier voortgezet onderwijs (artikel 8.28, van de Wvo 2020) geldt, dat gehandicapte leerlingen slechts recht hebben op een vervoersvoorziening als zij door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap voor hun schoolbezoek
- niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken; of
- zijn aangewezen op ander vervoer dan openbaar vervoer.
Leerlingen komen daarmee alleen in aanmerking voor leerlingenvervoer als zij gezien hun handicap niet in staat zijn om zelfstandig naar school te komen (Kamerstukken II 2011/12, 33 106, nr. 3, p.36). Om te kunnen beoordelen of een leerling door zijn handicap beperkt is om zelfstandig te reizen, is in een aantal gevallen onafhankelijk advies van deskundigen ter zake nodig. Het zal dan veelal gaan om de vraag of een leerling door zijn handicap in het geheel niet van openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, of alleen onder begeleiding daarvan gebruik kan maken. Het kan ook gaan over een deelaspect van het vervoer, bijvoorbeeld over de vraag of een bepaalde route door de betreffende leerling veilig kan worden afgelegd.
Wat wordt er bepaald in artikel 4, lid 8 van de Wet op het primair onderwijs?
In de wet op het primair onderwijs, wordt in artikel 4 bepaald dat de gemeenteraad een regeling dient vast te stellen op basis waarvan het College van Burgemeester en Wethouders de door hun noodzakelijk te achten kosten van het leerlingenvervoer, op aanvraag kunnen vergoeden. In dit artikel wordt vervolgens onder lid 8 het volgende gesteld:
“De regeling kan bepalen dat geen aanspraak op vergoeding bestaat op grond van de afstand tussen de voor de leerling toegankelijke school en de woning van de leerling, gemeten langs de kortste, voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg”.
In dit artikel wordt dus bepaald dat er een afstandsgrens mag worden gehanteerd, waarbinnen geen aanspraak op vergoeding kan worden gemaakt. Deze afstandsgrens dient
Ook in de wet op expertisecentra, wordt in artikel 4 bepaald dat de gemeenteraad een regeling dient vast te stellen op basis waarvan het College van Burgemeester en Wethouders de door hun noodzakelijk te achten kosten van het leerlingenvervoer, op aanvraag kunnen vergoeden. In dit artikel wordt vervolgens onder lid 7 het volgende gesteld:
“De regeling kan per schoolsoort, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en onverminderd het bepaalde in het vierde lid voor leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, bepalen dat geen aanspraak op vergoeding bestaat op grond van de afstand tussen de voor de leerling toegankelijke school en de woning van de leerling, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.
In dit artikel wordt verwezen naar artikel 2. Hierin wordt bepaald hoe het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs worden onderverdeeld naar onderwijs voor onderwijs aan:
“De regeling houdt rekening met de van ouders redelijkerwijs te vergen inzet en voorziet erin dat het vervoer kan plaatsvinden op een wijze die voor de leerling passend is, met dien verstande dat voor leerlingen die voortgezet speciaal onderwijs volgen geldt dat zij slechts aanspraak op bekostiging van vervoerskosten kunnen maken indien zij wegens hun handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege hun handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. De regeling bepaalt op welke wijze het college van burgemeester en wethouders terzake advies van deskundigen inwint”.